Immateriële vaste activa

Het verloop van de immateriële vaste activa over 2021 is als volgt:

x 1 miljoen

Goodwill

Software

Overige

Totaal

Aanschafwaarde per 1 januari 2020

77

32

14

123

Investeringen

-

-

1

1

Aanschafwaarde per 31 december 2020

77

32

15

124

Investeringen

-

-

2

2

Desinvesteringen

-

-13

-

-13

Aanschafwaarde per 31 december 2021

77

19

17

113

Cumulatieve afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingen per 1 januari 2020

-

23

5

28

Jaarafschrijvingen en bijzondere waardemutaties

-

3

1

4

Herclassificatie overig

-

-

-1

-1

Cumulatieve afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingen per 31 december 2020

-

26

5

31

Jaarafschrijvingen en bijzondere waardemutaties

-

3

-

3

Desinvesteringen

-

-13

-

-13

Cumulatieve afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingen per 31 december 2021

-

16

5

21

Netto boekwaarde per 31 december 2020

77

6

10

93

Netto boekwaarde per 31 december 2021

77

3

12

92

Goodwill

De goodwill heeft betrekking op de acquisitie van DNWG in 2017. In de eerste helft van 2018 heeft Stedin Groep de reële waardebepaling van de identificeerbare activa en passiva afgerond. De definitieve goodwill is, op basis van de synergievoordelen, gealloceerd aan kasstroomgenerende eenheden Stedin Netbeheer voor 30 miljoen en aan DNWG voor 47 miljoen. Als gevolg van de fusie van Stedin Netbeheer B.V. en Enduris B.V., zal de goodwill per 1 januari 2022 gealloceerd worden aan de kasstroomgenererende eenheid Stedin Netbeheer B.V.

Impairmenttest

Ten behoeve van de jaarlijkse impairment testing is de goodwill uit hoofde van de DNWG acquisitie gealloceerd naar twee kasstroomgenerende eenheden (KGE's), te weten Stedin en DNWG, die op het niveau van operationele segmenten zijn bepaald.

De boekwaarden van de goodwill per 31 december 2021 zijn:

x 1 miljoen

Stedin

DNWG

Totaal

Boekwaarde

30

47

77

Stedin Groep heeft per 30 juni 2021 voor deze twee KGE’s een goodwill impairment test uitgevoerd. Hiertoe wordt de reële waarde van de KGE vergeleken met de netto boekwaarde. De reële waarde is bepaald aan de hand van de opbrengstwaarde. Gezien het gebrek aan een liquide markt met observeerbare prijzen betreft dit een ‘niveau 3’ analyse binnen de reële waarde hiërarchie. De opbrengstwaarde fungeert in voorkomend geval als benadering van de realiseerbare waarde. De opbrengstwaarde wordt afgeleid van de geprojecteerde kasstromen na belastingen contant gemaakt tegen een disconteringsvoet na belastingen (post-tax WACC).

De expliciet geprojecteerde kasstromen voor de periode 2021-2046 zijn mede afgeleid van het Financieel Strategisch Plan (FSP) van Stedin Groep, goedgekeurd door de raad van bestuur en de raad van commissarissen. In het FSP van Stedin Groep zijn de projecties voor de KGE’s Stedin en DNWG voor de periode 2021-2026 afzonderlijk opgenomen. De periode 2027 – 2046 is afgeleid van een extrapolatie van de FSP-projecties. De geprojecteerde investeringen zijn gebaseerd op het Strategisch Investeringsplan (SIP). Het SIP bestrijkt een periode van 15 jaar (2021-2035). De investeringen na 2035 zijn afgeleid van een extrapolatie van de SIP projecties. De reden van een projectieperiode tot aan 2046 is omdat dit beter aansluit bij de energietransitie. Als gevolg van het Klimaatakkoord en de nationale klimaatdoelen voor 2030 en 2050 zullen de investeringen in de netwerken voor een langere termijn zich voordoen. Als gevolg hiervan is de projectieperiode verlengd. Met de projectieperiode tot aan 2046 start de restwaardeperiode in 2047.

De volgende items betreffen de belangrijkste factoren en veronderstellingen die zijn gehanteerd voor de goodwill impairment test:

  • de ingeschatte actuele waarde van de gereguleerde activa (de zogenaamde genormaliseerde gereguleerde activawaarde, oftewel de GGAW);
  • het marktaandeel van Stedin respectievelijk DNWG;
  • de relatieve winstgevendheid van Stedin respectievelijk DNWG; de reële rendementsvergoeding (reële pre-tax WACC) voor de gereguleerde activa conform vastgesteld door de Autoriteit Consument en Markt (ACM);
  • de inflatieverwachtingen en de langetermijngroeivoet; en
  • de disconteringsvoet (WACC).

Ten aanzien van deze items, merken we het volgende op:

  • Stedin Groep gebruikt de reële waarde als waarderingsgrondslag voor haar gereguleerde netwerkonderdelen. De reële waarde wordt afgeleid van de GGAW. Een logisch gevolg van deze waarderingsgrondslag is dat de ruimte tussen de opbrengstwaarde en de netto boekwaarde van zowel de KGE Stedin als DNWG over de tijd relatief beperkt is.
  • De marktaandelen van de KGE's Stedin en DNWG zijn bepaald op basis van het relatieve aandeel van Stedin en DNWG in de samengestelde output (SO) van de sector als geheel. Deze is bepaald op basis van data over de periode 2018-2020, zoals in 2021 gepubliceerd door de ACM. Voor de toekomst is aangenomen dat het marktaandeel zich ontwikkelt op basis van de nieuwe aansluitingen in de sector, voor zowel Stedin als DNWG.
  • De winstgevendheid van Stedin en DNWG wordt mede bepaald door het systeem van maatstafconcurrentie. De vergoeding die de ACM aan de individuele Nederlandse netbeheerders toekent voor haar gereguleerde activiteiten is afhankelijk van de sectorgemiddelde kosten en het marktaandeel van elke netbeheerder. De toegestane vergoedingen worden door de ACM eens per reguleringsperiode van vijf jaar herijkt. Ten opzichte van voorgaand jaar heeft de ACM de vergoedingssystematiek van afschrijvingen voor gas aangepast naar degressief afschrijven, vanaf 2022. Deze verandering is in de toekomstige projecties meegenomen. De onderliggende data die ten grondslag liggen aan de herijking worden eveneens eens in de vijf jaar openbaargemaakt. Daarom kan een netbeheerder gedurende een reguleringsperiode niet betrouwbaar inschatten of zij het beter of slechter doet dan de andere regionale netbeheerders en welke impact dit kan gaan hebben op haar toekomstige kasstromen. In 2021 heeft de herijking plaatsgevonden. Op basis hiervan is het marktaandeel aangepast. Het marktaandeel van Stedin is ongeveer 23% voor elektriciteitstransport en ongeveer 26% voor gastransport. Voor DNWG betreft het marktaandeel ongeveer 3% voor elektriciteitstransport en ongeveer 3% voor gastransport. Het systeem van maatstafconcurrentie betekent dat de vergoedingen en toekomstige kasstromen van Stedin en DNWG worden beïnvloed door zowel de eigen prestaties als die van andere netbeheerders.
  • In het licht van de afwijkingen tussen de individuele prestaties van Stedin en DNWG in vergelijking tot haar maatstaf (op basis waarvan de performance versus andere regionale netbeheerders wordt bepaald), is voor het bepalen van de opbrengstwaarde van beide KGE’s een convergentieaanname gehanteerd van 20 jaar. Deze convergentieaanname veronderstelt dat de operationele kosten en het investeringsniveau van Stedin en DNWG in het jaar, met ingang van het jaar 2042 gelijk worden verondersteld te zijn aan hun marktaandeel van de totale operationele kosten en totale investeringen van de sector. In de periode tot aan convergentie heeft Stedin Groep een inschatting gemaakt voor toekomstige investeringen van de gehele sector en haar relatieve positie in de maatstaf.
  • De kapitaalkosten, zoals gedefinieerd door de ACM, vormen een belangrijk kostenelement voor de bepaling van de sectorgemiddelde kosten. De kapitaalkosten omvatten de afschrijvingskosten bepaald op basis van gereguleerde grondslagen alsmede een vergoeding over de gereguleerde activawaarde op basis van de reële rendementskostenvergoeding voor belastingen (de reële pre-tax WACC). De ACM bepaalt de WACC op basis van relevante marktparameters en corporate finance theorieën. De WACC-aannames die Stedin Groep management gebruikt heeft voor het opstellen van haar projecties, zijn afgeleid van de door de ACM gecommuniceerde, voorgenomen WACC voor de eerstvolgende reguleringsperiode. Voor de volgende reguleringsperiodes vanaf 2027 en verder heeft Stedin Groep management een eigen inschatting gemaakt van de (gereguleerde) WACC's. Deze WACC’s zijn primair afgeleid van i) de marktobservaties met betrekking tot de relevante parameters zoals rentevoeten, risicoprofielen, marktvergoedingen en vermogensverhoudingen en ii) de methodiek die door de ACM wordt gehanteerd. De aannames voor wat betreft de gereguleerde WACC's zijn voor twee doeleinden gehanteerd, namelijk het rendement op het geïnvesteerd vermogen (GGAW) en de disconteringsvoet. De post-tax WACC van Stedin en DNWG is een gewogen gemiddelde voor de gereguleerde (2,2% -3,5%) en niet-gereguleerde activiteiten (9,0%). Ten opzichte van voorgaand jaar is de range van de gereguleerde post-tax WACC kleiner geworden. Dit is het gevolg van nieuwe informatie vanuit de ACM en de ontwikkelingen in de marktobservaties.
  • De langetermijngroeivoet die gebruikt is voor het bepalen van de restwaarde van de twee KGE’s is conservatief ingeschat op 0%. Voor de projectieperiode tot 2046 is een groeivoet gehanteerd die gelijk is aan de (lange termijn) verwachte inflatie (2,0%).

Voor zowel Stedin als DNWG is de buffer tussen de netto boekwaarde en de opbrengstwaarde positief. Op basis van bovenstaande aannames is er geen impairment indicatie aanwezig.

Op basis van de uitgevoerde impairment test per 30 juni 2021 en de uitgevoerde additionele analyses is er per 31 december 2021 geen aanleiding voor een bijzondere waardevermindering van de goodwill van beide KGE’s.

De uitkomst van de goodwill impairment test is afhankelijk van wijzigingen met betrekking tot bepaalde schattingen en aannames. De belangrijkste betreffen:

  • het investeringsniveau;
  • de convergentie aanname;
  • de disconteringsvoet; en
  • de langetermijngroeivoet/inflatie.

Stedin Groep heeft een analyse uitgevoerd van de gevoeligheid van de uitkomsten van de impairment tests voor wijzigingen in de belangrijkste aannames en schattingen welke gebruikt zijn bij de bepaling van de opbrengstwaarde voor beide KGE's. Stedin Groep is van mening dat elke redelijkerwijs mogelijke verandering in de belangrijkste aannames waarop de opbrengstwaarden zijn gebaseerd er niet toe zal leiden dat de opbrengstwaarde onder de netto boekwaarde uitkomt. De gevoeligheden voor wijzigingen in de belangrijkste aannames waarop de opbrengstwaarde van Stedin en DNWG is gebaseerd zijn hieronder beschreven:

  • Indien 1% van de gereguleerde investeringen niet wordt terugverdiend door middel van verrekening in de toekomstige tarieven (bijvoorbeeld vanwege inefficiëntie) resulteert dit in een daling van de opbrengstwaarde van Stedin met 18 miljoen en van DNWG met 2 miljoen.
  • Een vertraging van de convergentieaanname met 1 jaar, resulteert in een daling van de opbrengstwaarde van Stedin met 13 miljoen en in een stijging van de opbrengstwaarde van DNWG met 7 miljoen.
  • Een stijging van de (gereguleerde) disconteringsvoet met 0,1%, resulteert in een daling van opbrengstwaarde van Stedin met 52 miljoen en van DNWG met 11 miljoen.
  • Een daling van de langetermijngroeivoet met 0,2%, resulteert in een stijging van de opbrengstwaarde van Stedin met 23 miljoen en van DNWG met 4 miljoen.

Bovenstaande gevoeligheden zorgen niet voor een materiële negatieve buffer dan wel een impairment indicatie.